In Lijnen in het Landschap wordt de ontstaansgeschiedenis beschreven van houtwallen, elzensingels, heggen, bomenrijen, lanen en andere beplantingsstroken in Nederland. De (oorspronkelijke) functies worden besproken en er staan richtlijnen in voor het beheer
Product: Boeken
Mensen trekken lijnen in het landschap met behulp van bomen en struiken. De eerste boeren in Nederland begonnen er 7000 jaar geleden mee. Hun opvolgers gingen ermee verder en de moderne samenleving zet deze traditie nog steeds voort. Het resultaat is tienduizenden kilometers houtwallen, elzensingels, heggen, bomenrijen; lanen en andere beplantingsstroken. Deze lijnen van hout hadden oorspronkelijk uitsluitend een landbouwkundige betekenis. Ze waren een onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering: ze moesten het vee en wild van de akkers houden en ze leverden hout. Dat was nodig voor het stoken van kachels en ovens, voor het maken van gereedschap en voor de bouw van huizen en stallen.
Vanaf 1900, en in een versneld tempo na de Tweede Wereldoorlog, begonnen de houtwallen en -singels uit het boerenland te verdwijnen. Ze pasten niet meer bij de nieuwe landbouwmethodes. Er kwamen wel andere beplantingsstroken zoals windsingels en erfbeplantingen terug, maar per saldo raakte het Nederlandse landschap steeds meer uitgekleed. Het tij begon te keren tegen het einde van de jaren zestig van de twintigste eeuw. Langzaam maar zeker groeide het maatschappelijke besef dat beplantingsstroken belangrijke cultuurhistorische,landschappelijke en ecologische waarden hadden. Ongeveer vanaf1980 staat vooral de betekenis van lijnvormige beplantingen als leefgebied en verbindingsweg voor planten en dieren sterk in de belangstelling.
Lijnen in het landschap is bedoeld voor iedereen die belangstellingvoor het landschap heeft: Meer in het bijzonder is het bedoeld voor mensen die een bijdrage willen leveren aan het beheer en onderhoud van houtwallen, singels en heggen in hun eigen omgeving. Dat kunnen grondeigenaren en -gebruikers zijn, maar ook vrijwilligers of personen die beroepshalve te maken hebben met landschapsbeheer.
In hoofdstuk twee wordt de ontstaansgeschiedenis beschreven van een aantal voor Nederland karakteristieke lijnvormige beplantingstypen. De ecologische functies en de geschiedenis van het landschapselement krijgen veel aandacht. Hoofdstuk drie gaat over de betekenis van beplantingen in het agrarisch landschap voor de landbouw maar ook voor wilde planten en dieren. Welke voor- en nadelen kleven voor de agrariër aan de aanwezigheid van lijnvormige elementen? Aangegeven wordt hoe nadelen te beperken zijn. De balans blijkt in veel gevallen in evenwicht te zijn of zelfs door te slaan naar landbouwkundig voordeel. Daarnaast wordt de floristische waarde van de lijnelementen en de waarde voor diverse soortgroepen dieren afzonderlijk behandeld. Zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en ten slotte de ongewervelden komen ter sprake.
Voor degenen die echt aan de slag willen met beheer, onderhoud en aanleg, is hoofdstuk vier van belang. Hierin staan beheerrichtlijnen voor de verschillende typen beplantingen. Verder zijn hier globale richtlijnen opgenomen voor ontwerp en aanleg op ecologische grondslag. De praktijk van aanleg en onderhoud wordt in dit hoofdstuk ook uitgewerkt. Er staan praktische tips in voor het planten, zagen, snoeien en afrasteren, met speciale aandacht voor de gevolgen voor plant en dier.
Uw winkelmandje is leeg